LICHT

In het donker ofwel zonder licht zien we niets. Het beeldaspect licht is daarom heel belangrijk. Wordt een object wel verlicht dan vallen er lichtstralen op, die vervolgens worden weerkaatst en in onze ogen terecht komen. In het oog worden de lichtstralen omgezet in prikkels die naar onze hersenen gestuurd worden. Zo nemen we het object waar.

Lichtbronnen

Licht ontstaat vanzelfsprekend door een lichtbron. kan verschillende eigenschappen hebben. Zo geeft bijvoorbeeld een spotlamp lichtbundels die alle kanten op gaan en zorgt de zon voor evenwijdige stralen. De eigenschappen van de lichtbron zijn van belang bij hoe wij het verlichte object waarnemen.

In relatie tot de beschouwer kunnen lichtbundels verschillende richtingen hebben:

Gevolgen van het licht

Schaduw

Waar geen of weinig licht kan komen is het logischerwijs donker respectievelijk donkerder. Dit noemt men schaduw. <rechterbalk, iets over blauwe kleur van schaduwen)

Er zijn verschillende soorten schaduw:

  • Eigenschaduw:

    Dit is de schaduw die ontstaat óp het belichte object. Het benadrukt de vorm van dat object en geeft het object plasticiteit.

  • Slagschaduw:

    De slagschaduw is de schaduw die een belicht voorwerp werpt op zijn omgeving (dit kan bijvoorbeeld een ander object zijn). Deze schaduw is geen onderdeel van het object maar van zijn omgeving, en benadrukt de ruimte (we maken ook nog onderscheid tussen lange of gebroken slagschaduwen).

Effecten op verschillende oppervlakte-eigenschappen

Het oppervlak van een object waar licht op valt is van groot belang bij de weerkaatsing van de lichtbundels die erop vallen, en dus ook hoe wij het object aanschouwen.

Bij hele speciale oppervlakten treedt spiegeling of reflectie op. Het verschil is dat spiegeling een correct weerspiegeld beeld (zoals een spiegel) geeft en reflectie een enigszins vervormd weerspiegeld beeld oplevert (bewegend water bijvoorbeeld).