RUIMTE

Driedimensionale kunst

In driedimensionale kunst kun je ruimte het meest duidelijk ervaren.
Je kunt meestal helemaal of gedeeltelijk om het kunstwerk heen lopen en het zo van alle kanten bekijken. Als je naar het kunstwerk kijkt zie je meestal niet alleen het kunstwerk maar ook de omgeving.

De omgeving en ruimtelijkheid van een driedimensionaal kunstwerk

Sommige kunstwerken zijn gemaakt terwijl de kunstenaar met de omgeving rekening hield. Zulke beelden sluiten vaak goed op aan (of contrasteren juist) met de omgeving vanwege een open karakter ten opzichte van die omgeving. Andere 3-dimensionale kunstwerken kunnen zeer op zichzelf staan en lijken meer geïsoleerd van hun omgeving. Ze hebben dan vaak een gesloten karakter.

Oppervlak en plasticiteit

De kwaliteit van het oppervlak van een object van een beeld of schilderij bepaalt hoe wij zo’n kunstwerk waarnemen. Kunstenaars maken daar gebruik van. Zo kunnen ze ervoor kiezen de sporen van hun gereedschap zichtbaar te laten of geheel weg te werken, of vormen te accentueren door middel van groeven, of hun werk te verven of lakken. Zo kunnen ze de plasticiteit en het karakter van het werk naar wens beïnvloeden.

De structuur van het oppervlak is iedere eigenschap die laat zien hoe het onbewerkte, ruwe materiaal is opgebouwd (nerven en knoesten in hout of aders in marmer).

De factuur is de wijze waarop het oppervlak van ruw materiaal is bewerkt (glad geschuurd, of met dikke verf grof beschilderd).
De textuur is de zichtbare en/of voelbare aard van het oppervlak: de structuur en de factuur samen.

Deze begrippen kunnen zowel voor een 3- als een 2-dimensionaal kunstwerk van toepassing zijn.

Tweedimensionale kunst

Een tweedimensionaal werk als een schilderij of tekening heeft maar 2 dimensies of maten: lengte en breedte, en is dus plat. Kunstenaars proberen echter met allerlei trucs die platheid te doorbreken.

Het volgende interactieve scherm laat enkele van deze trucjes zien:

(lijn)perspectief

Een andere, vrij wiskundige manier om de illusie van ruimte te wekken op een tweedimensionaal vlak, is het lijnperspectief.

Het lijnperspectief wordt voor het eerst volgens het boekje gebruikt in de renaissance (begin 15e eeuw in Italië) , en is eigenlijk niets meer dan een verzameling regeltjes. Lijnperspectief berust op het verschijnsel dat alles wat verder van je weg ligt kleiner lijkt te worden en dat evenwijdige lijnen die van de beschouwer weglopen steeds dichter bij elkaar lijken te komen (kijk bijvoorbeeld eens naar spoorrails), en uiteindelijk aan de horizon lijken samen te vallen op één punt. Dit noemt men dan het vluchtpunt.

De hoogte van de horizon komt overeen met die van het oog van de beschouwer. Als beschouwer kun je hoog (op een toren) of laag staan of liggen ( op je buik aan het strand).
Die hele hoge of hele lage standpunten noemen we vogelvlucht- en kikvorsperspectief. Je leert er in het volgende interactieve scherm meer over.